Thuiskomst

Gisteren kwam ik thuis na de openingsceremonie van mijn expositie in Maaseik.

Toen maakte ik een werkstuk af waar ik eergisteren mee begonnen was.

Het heet thuiskomst, niet zozeer omdat ik gisteren thuiskwam maar om een reden die voor zich spreekt: de ziel komt thuis na zijn verblijf op aarde.

 

Het werkstuk is 51 x 51 cm groot en dit heb ik met name gemaakt omdat het hier in huis nu zo kaal is nu alles op de expositie hangt.

 

Categories: Blog-berichten | Leave a comment

Sirsasana

Zo’n vijftien jaar geleden kwam ik op het idee om eens te gaan proberen op mijn kop te staan. Ik regelde een boek over yoga en zag daarin een beschrijving staan hoe je dat moest doen.

Ik probeerde het en viel promp met een smak op de grond. Meteen de eerste keer en de volgende vijftig keer evengoed. Ik dacht dat ik een kussen onder mijn hoofd moest leggen om geen pijn op mijn hoofd te krijgen. Dat bleek nu net de reden te zijn waarom ik nooit in de goede positie kon komen.

Ik had niemand in de buurt die me daarop kon wijzen en dan kan het lang duren voordat je daar achter komt. We hadden net een nieuwe laminaatvloer in de kamer en daar viel ik steeds met een stevige klap op. Ik oefende wanneer mijn vrouw niet in de buurt was want anders kreeg ik iedere keer verwijten van haar te horen, dat ik gek was en geen respect voor mijn lichaam had en zo.

Toen ik erachter kwam dat mijn hoofd en mijn ellebogen op hetzelfde niveau dienden te staan en ik dus zeker geen kussen onder mijn hoofd moest hebben ging het beter.

Gaandeweg kon ik recht blijven staan. Eerst tegen de muur en later vrijstaand in de kamer. Ik las er nog eens over en zag dat de benaming voor deze houding Sirsasana is en dat er in India monniken zijn die tot drie uur achtereen op hun hoofd konden staan. Dat leek me ongelooflijk. Hoe moesten de nekwervels hiermee omgaan en is de bloeddruk in de hersenen niet te hoog en daardoor schadelijk?

Ik wist het niet maar vond het een leuke nieuwe uitdaging om eens te kijken hoelang ik het zou kunnen. Ik probeerde het en kwam tot vijf minuten.

Als je op je hoofd staat ben je erg beperkt in je waarnemingen: je ziet maar weinig en je kunt je hoofd niet echt lekker ronddraaien. De tijd gaat dan erg lang duren.

Ik had mijn horloge recht voor mijn ogen om de tijd te kunnen volgen en was steeds maar naar de secondewijzer aan het kijken. De tijd gaat dan heel lang duren.

Een minuut duurt een eeuwigheid, lijkt het wel. Het heeft erg lang geduurd voordat ik besefte dat ik niet de hele tijd naar de klok moet kijken.

Toen ging ik ook op het strand op mijn hoofd staan, op vacantie in Zeeland. We hadden daar een stacaravan en ik had een vast plekje op het strand. Op het strand waar geen kleding nodig was. Het strand is daar erg breed, de mensen lopen langs het water waar het zand vochtig en niet mul is en ik had mijn stekje een eindje verder, langs de duinen. Daar stond ik ondersteboven zodat mijn voetzolen ook bruin konden worden.

 

Het is heel grappig om te zien hoe raar de wandelaars langs de waterkant lopen: ze lopen ondersteboven. Ik heb hierbij een probleem en dat zit tussen mijn oren: dat ik denk dat de mensen denken dat ik dat doe om zonodig op te moeten vallen. En dat terwijl ik veel liever heb dat niemand me ziet.

Ik ging altijd eerst in het water en ging dan nat in de Sirsasana-houding en liet me door de zon opdrogen. De waterdruppels druppelen dan van beneden naar boven, voor mijn gevoel. Dat is ook een grappige ervaring. Ook als het eigenlijk niet warm genoeg was om in zee te gaan deed ik dat toch om dit grappige effect te voelen.

Daar kwam ik meestal tot een tijdsduur van tien minuten. In die tijd maakte ik hiervan deze glas-in-lood afbeelding:

 

Ik probeerde weer eens uit hoelang ik het kon volhouden en kwam tot vijfendertig minuten. Bij deze tijdsduur begonnen mijn nekspieren zodanig op te spelen dat ik het raadzaam vond om ermee te stoppen. Daarnaast was het ook qua geduld nauwelijks vol te houden om zolang niets te kunnen doen, die tijd duurde ontzettend lang.

Daarna ben ik gaan oefenen met pranayama tegelijk met de hoofdstand. Er zijn allerlei ademshalingsoefeningen en die zijn een heel geschikte bezigheid bij zoiets. De adem gaat maar heel langzaam, er is weinig zuurstof nodig als je helemaal niet beweegt. Alleen  een paar spieren die voor het evenwicht nodig zijn, zijn actief.

Ik doe dan alleen de buikademhaling en kom dan tot niet meer dan zes tot drie ademhalingen per minuut. Grappig is ook dat de buik beweegt van helemaal ingetrokken tot bol endat deze verandering van de gewichtsverdeling weinig effect heeft op het evenwicht.

Ik doe de hoofdstand zeker een keer per week en met name in de zomer. Op vacantie in Frankrijk was onze camping in een bos met een meertje.  Daar deed ik ook iedere dag yoga-oefeningen. De buurman naast mij op de camping was een verwoed fotograaf en maakte onderstaande foto.

De laatste tijd probeer ik te mediteren terwijl ik zo sta, afgewisseld met ademhalingsoefeningen. Nu ik dit al zo’n vijftien jaar doe begin ik er steeds meer een behoefte aan te krijgen om het te doen. Waarom dat zo is, daar ben ik nog niet achter.

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Lemniscaat

 

Ik heb een vriendin die graag mediteert met een lemniscaat voor ogen.

Zij gebruikt dat ook als hulpmiddel om oefeningen te doen in het kader van: “yoga voor de ogen”.

Ik wilde haar een plezier doen en ontwierp een glas-in-lood werkstuk dat daarop gebaseerd is.

 

Dat ontwerp heb ik laten kloppen met de wiskundige basis van de lemniscaat.

Op wikipedia staat er onder andere het volgende over:

De ovalen van Cassini zijn meetkundige figuren met de eigenschap dat het product van de afstand van een punt P tot het eerste brandpunt F met de afstand van P tot het tweede brandpunt F’ een constante is, namelijk c2. Dit in tegenstelling tot de ellips, waar de afstanden opgeteld constant zijn. Ze zijn genaamd naar de Italiaans astronoom Giovanni Domenico Cassini (8 juni 1625 – 14 september 1712). De vorm van de lemniscaat in deze afbeelding is gelijk aan de lemniscaat van Bernouilli. (Als c = a is de ovaal gelijk aan een lemniscaat van Bernouilli).

 Het door mij gemaakte ontwerp klopt hier helemaal mee. Ik heb er twee “ogen” in gemaakt, en om het spannend te maken heb ik die horizontaal gespiegeld ten opzichte van elkaar.    Die twee punten zijn de centra van waaruit de lemniscaat geldig is. Net zoiets als het middelpunt van een cirkel dat is. 

Hij is zo eenvoudig als denkbaar, en toch zoveel meer als een lemniscaat sec. Meer of minder zou volgens mij niet mogen.

Het glas eromheen is glas met een patroon van ijsbloemen. Dat laat de achtergrond compleet vervagen en laat de blik zich concentreren op waar het om gaat.

De lemniscaat is niet alleen een meetkundig-wiskundig grapje: het is een van de belangrijkste symbolen. Het symboliseert de oneindigheid. De beweging door de liggende acht heen heeft nergens een begin of een einde. Dat is net als bij een cirkel. Hier is die oneindige beweging  echter  de beweging rond twéé polen. Twee identieke polen en tegenpolen. Alles wat er is, in ons leven, is daaraan onderhevig, aan de polariteit.

Er is niets tijdens ons leven dat geen aspect van polariteit heeft, van goed of slecht, van koud of warm , van positief en negatief.

Er is daardoor ook niets wat goed is zonder dat het slechte er ook is. Het goede bestaat bij de gratie van het slechte. En andersom. 

 (14-11-2010)

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Een spiegel voor Roos

 

Roos, spiegel je ogen in deze spiegel,

De ogen, de spiegel van jouw ziel

Spiegeltje aan de wand en de mooiste van het land

Spiegel je niet aan anderen

Een spiegelbeeld is niet het origineel

Nooit geweest ook

De zon spiegelt op de golven van de zee

En de waterspiegel is lichter dan de rest

Ik spiegel me aan jou

En anderen zich weer aan mij.

De afspiegeling van de echte Roos

Is een Roos op zich.

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Polariteit

 

Als er alleen wit of zwart is, is er geen ervaring van kleur.

Het is ondoenlijk om kleuren te kunnen ervaren in een wereld waar alles wit is. In zo’ n wereld kan het allemaal wel comfortabel en vredig zijn maar je beseft en weet dan niet wat een kleur is. Je kunt daar misschien wel weten wat eigenschappen van kleuren zijn, dat ze overeenkomen met trillingsfrequenties en meer natuurkundige eigenschappen, maar je kunt er daar geen gevoel van hebben. Dat heb je pas als je kleuren echt gezien hebt.

Als er alleen warmte  is en geen kou, is er geen ervaring van temperatuur.

Als het altijd 35 graden is zijn kleren niet nodig. Die zijn alleen maar een last. Dan doe je niet de ene keer warme kleren aan en de ander keer wat luchtigers. Als je nooit een warme of koude luchtvlaag voelt kun je ook niet beseffen wat temperatuur is. Wat koude of warmte is. Wat kil is of wat broeierig betekent.

Je kunt wellicht wel becijferen hoeveel energie ervoor nodig is om de wereld waar je in leeft constant op die temperatuur te houden, maar je kunt er geen gevoel van hebben. Daarvoor heb je de ervaring van verschillende temperaturen nodig. Dan pas kun je uit ervaring spreken en dat is heel wat anders dan alleen maar weten wat het is.

Er is geen gevoel van liefde als er geen angst bestaat

Alle emoties en gevoelens zijn positief of negatief. Woede, bezitsdrag, pijn, ergernis, jalouzie: het zijn allemaal afgeleiden van angst. Blijdschap, vreugde, bewondering, tevredenheid: het zijn vormen die liefde gemeenschappelijk hebben. Al die gevoelens zijn terug te brengen tot twee basis gevoelens: liefde en angst.

Als je nooit een negatief gevoel gehad hebt (wat niemand gegeven is) dan kun je niet echt ervaren wat liefde is. Geen sterveling kan dan ook volmaakt zijn, ook Jezus was dat niet.

De ene pool verschilt  van de tegenpool

Het is bekend dat liefde en haat dicht bij elkaar liggen. Echtparen die veel van elkaar houden kunnen zomaar de grootste woede ten opzichte van elkaar hebben. De tegengestelde polen hebben veel meer gemeen dan dat ze verschillend zijn. De kenmerken van temperatuur, of electriciteit, of magnetisme, etc zijn bijna helemaal identiek op een enkel aspect na. En net dat ene aspect maakt dat ze totaal verschillend lijken.

En dat verschil is onontbeerlijk

Dat verschil lijkt gering in vergelijking met de aspecten waarin ze gelijk zijn, maar het is heel wezenlijk dat er dat ene verschillende aspect is, anders zouden we geen ervaring kunnen opdoen. Weten en kennis is mooi , maar ervaring maakt pas dat het niet abstract is , maar dat we met heel ons wezen iets eigen gemaakt hebben.   

Zonder polariteit zijn er geen ervaringen.

Als we geen ervaringen hebben is het leven geen leven meer. Polariteit is de tegenstelling van de ene pool ten opzichte van de andere, en die is dus wezenlijk voor het al dan niet bestaan van inhoudsvol leven.

Lichaam en  geest bestaan bij de gratie van polariteit.

Ons lichaam en onze geest zijn gekoppeld aan de materiele wereld. Zonder deze wereld kunnen we niet leven. We bestaan uit lichaam en geest. Zonder geest zijn we geen mens. Zonder lichaam kunnen we niet leven in de polariteit. Als de geest niet gekoppeld is aan ons lichaam kunnen we geen ervaringen opdoen. Onze geest is onze ziel die gekoppeld is aan ons lichaam en ons brein en onze gevoelens. Zonder deze koppeling is de ziel alleen maar ziel.

Na het leven is er geen polariteit meer.

Polariteit kunnen we alleen ervaren via ons lichaam en onze geest. Dat kan alleen als ons lichaam leeft. Ons lichaam zonder leven is na een korte tijd alleen maar een hoopje materie. Na een dag is het totaal onbruikbaar materiaal geworden.

Voor de ziel is er dan alleen licht, warmte, liefde.

De polariteit is er na de dood of voor de geboorte wel, maar niet voor de geest die het lichaam heeft los moeten laten en ziel geworden is.  Voor de ziel is er geen polariteit meer, alleen de ene pool die er is : liefde. Bij de overgang van leven naar de status zonder polariteit is er licht en warmte en vrede en geluk. Na de dood is er niets anders meer dan dat. Maar dan zijn er ook geen ervaringen meer. Ervaringen opdoen is de zin van ons aardse leven.

WAT IS DE ZIN VAN HET LEVEN: POLARITEIT ERVAREN.

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Holtum

“Nederzetting in het bos” was in de vroege Middeleeuwen de oorsprong van de naam van het huidige dorp Holtum, waar ik nu woon. Holtum is een “buurt” van de huidige gemeente Sittard-Geleen.

Ex-minister Vogelaar heeft een beleid voor verbetering van de leefbaarheid in de wijken geregeld met daarbij een som geld voor alle gemeenten.

Die gemeenten vragen aan de buurten of zij ideeen hebben om dat geld te besteden aan de leefbaarheid in hun buurt . Als het idee goedgekeurd wordt moet de initiatiefnemer dat idee ook realiseren, zonder er persoonlijk belang bij te hebben. Het door mij ingediende idee is een glas in lood paneel van circa 2 bij 1 meter, gevat in slagvast dubbel glas en opgehangen in een stevige metalen constructie. Het zou dan moeten staan op een plaats die wel centraal is maar waar niet al te veel kans op baldadigheid en vernieling is.

Holtum kent 1200 inwoners en wordt gedomineerd en ingesloten door bedrijven rondom en veel verkeer, het ligt met name tegen de A2 aan op een van de drukste stukken ervan. Aan de andere kant van de A2 ligt het merendeel van de gemeente Sittard Geleen en de fabriek Nedcar.

In de vroegere `Nederzetting in het bos` is niet zo heel veel bos meer over, vergeleken met een bos is de huidige begroeing eerder symbolisch te noemen.

Categories: Blog-berichten | Leave a comment

De kracht van Nu

 

Al enkele maanden geleden wist ik hoe het ontwerp voor Tolle er uit moest gaan zien en hoe ik het boek van Eckard Tolle , de kracht van nu, voor mezelf samenvat.

Vandaag is het er eindelijk van gekomen. Allerlei dingen hadden voorrang.

 

 

In het centrum is er een melee van aktiviteiten, niet bijster strak geordend.

Daar is er het verstand en het denken dat daarin plaatsvindt. Dat is continu bezig, of je wilt of niet. Stopzetten is nauwelijks mogelijk.

Op een niveau daaromheen is er het lichaam, de zintuigen en de emotie. Dat is een geheel; dat veel genuanceerder is. Daar worden veel meer aspecten meegenomen en onderling gewogen dan het verstand in zijn eentje kan. Er is daar meer stabiliteit en alle chakra’s hebben er hun plaats. Het EQ is veel meer dan het IQ alleen. Iedere chakra heeft zijn specifieke functie en samen zijn ze een compleet en samenhangend geheel.

Deze twee aspecten van ons wezen (verstand en lichaam, denken en voelen) hanteren we omdat we nu eenmaal niet anders kunnen. In onze omgeving is alles polair en we kunnen niet anders dan in polariteiten denken.

Als we daar buiten zijn (dat zijn we voordat en nadat we leven) is er alleen een zelf-bewustzijn. Ons gevoel en verstand is er slechts een rudimentair zintuig van.

De kleuren die daar bij horen zijn goud en purper.

Het grensvlak van deze aspecten van ons wezen en de werkelijkheid om ons heen is een groene wereld die zich uitstrekt tot de horizon.

Uit ons wezen vlamt ons handelen op, in de levendige felle kleuren van vlam en aktie.

Daarvoor is er het verleden, dat is voorbij en dus niet meer van het heden. En dus eigenlijk al irrelevant..

Daarna is er de toekomst, die is er nog niet en we weten niet hoe die zal zijn en of die er wel zal komen. Die is dus eigenlijk ook voor ons niet echt relevant.

Alleen het NU telt.

Het ideaal is als we met ons zelfbewustzijn alleen in het nu kunnen zijn, dan zouden we krachtiger zijn dan hoe ook.

Een jaar later (oktober 2010)

Ik moest vanmorgen weer denken aan het glas in lood paneel dat ik gemaakt heb onder de titel: “de kracht van nu”. Aanleiding was een telefoontje gisteren waarin een vriendin zei dat zij ziek was geworden en dus niet naar mij komen komen reizen. Ik vermoedde dat zij andere redenen had om niet te willen komen en toen meende ik dat de ziekte een psychosomatische reactie was.

Vanmorgen zat ik daarover te denken. In zo’ n situatie is de betrokkene (mijn vriendin) echt ziek en zich niet bewust dat ze niet ziek is, maar dat het lichaam de regie overneemt. Het lichaam regelt dat zij ziek is en dat de reis hoeft niet ondernomen te worden.

Ik heb er eigenlijk nooit bij stil gestaan dat wij niet helemaal de baas over onszelf zijn. Ik dacht altijd dat ik de baas was over mijzelf en zelf bepaal wat wanneer wel of niet gebeurt, maar het tegendeel is waar. Het lichaam (en mijn onderbewustzijn?) zijn de baas.

Zonder dat ik het wil of het ermee eens ben regelt het lichaam dingen waar ik me helemaal niet van bewust ben. Als ik dan ziek wordt denk ik dat het noodlot toeslaat, dat ik pech heb gehad en me daar maar bij neer moet leggen.

Dat is dus niet waar: er is een andere ik in mij die echt de baas is, en dat mooi niet laat merken en mij in de waan laat dat ik het voor het zeggen heb.

En dat is maar goed ook. Want zoals Eckard Tolle in zijn boek “de kracht van nu” duidelijk maakt, is het verstand , en dus mijn bewuste ik, maar een ongeregeld rommeltje. De emoties en het gevoel hebben het veel beter voor mekaar en zien de zaken veel scherper en als het verstand echt de baas was waren we er dramatisch slecht aan toe.

Nog mooier zou het zijn als we die nog diepere laag in ons de hoogste macht konden geven. Dan leven we perfect en goed voor onszelf en de anderen en worden we nooit meer ziek. Dat is mij niet geven, in ieder geval tot heden.

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Templo del soul

 

Dit werkstuk heb ik gemaakt op basis van wat ik van Neale Donald Walsch heb gelezen (een ongewoon gesprek met god en andere boeken van hem) en van Thorwald Dethlefsen (esoterische filosofie).

Volgens deze twee schrijvers (en natuurlijk ook heel veel anderen) is er een oorsprong van ons allemaal die er behoefte aan had om ervaringen op te doen. Dat kun je alleen als er sprake is van dualiteit en polariteit. Dus moest die oorsprong (god, of de universele levenskracht) een dualiteit scheppen. En daar leven we met zijn allen in. Dualiteit is er overal om ons heen, er is zelfs niets wat we kunnen waarnemen dat niet duaal is. Man en vrouw, koud en warm, positief en negatief, hoog en laag, lichaam en geest.

Met dat laatste wordt het spannend. Wat een lichaam is , weten we wel. Maar wat is een geest? Ik denk dat een geest een ziel is die zich verbonden heeft aan de duale wereld. Die ziel komt uit de niet-duale sfeer. Een lichaam op zich , bestaand uit cellen van bloed, spierweefsel, botten etc. is dood. Zonder een ziel kan het in een doodskist, is het eigenlijk niet veel meer dan een marmeren beeld.

Het gaat leven als er leven in zit. Wat is echter leven? Ik heb begrepen dat een ziel die zich bindt aan een lichaam het leven brengt. En dus eigenlijk leven is? Of dat lichaam nu gras, een boom een vis of een mens is, maakt niet veel uit:  in al die lichamen die leven, komen de cellen tot leven door een geest. Die geest bindt zich niet aan het fysieke lichaam zoals wij dat zien, voelen en  ervaren. Nee, het hecht zich aan een energielichaam dat in en rond die fysieke struktuur is.

Dat energielichaam ken ik via de yoga met name vanuit de chakra’s (de energie-knooppunten) en bij de acupunktuur prikken ze in de meridianen die ook energie-knooppunten zijn. Wie heeft dat astrale lichaam echter ooit gezien?  Mijn boeide die vraag al lang.

Al weer 35 jaar geleden heb ik op zolder de experimenten van Kirlian nagedaan. Ik maakte een apparaat waar een heel hoge spanning op stond, zo’n 50.000 volt. De frequentie waarmee die spanning wisselde maakte ik instelbaar zodat ik de meest geschikte frequentie kon vinden. Dat alles had ik gemaakt ik met TV onderdelen. Als de draad waar de spanning op stond niet geisoleerd was, werd het spannend. Het punt waar die spanning op stond sproeide spontaan bliksempjes in het rond en het rook sterk naar ozon. Op dat punt legde ik dus een erg dikke laag isolatie, daarop een stukje van een fotorolletje en daarop weer mijn hand.

Ik sloot de stroom heel even aan en daarna ontwikkelde ik dat negatief en drukte het vervolgens op fotografisch papier af. Uiteindelijk had ik dan een foto van mijn hand met eromheen de aura!! Dat wilde ik ook doen met de hand van mijn Anne-Marie maar die voelde daar helemaal niets voor. Dat nam ik haar maar niet kwalijk, hoewel ik meende dat een experiment met slechts een proefpersoon een te weinig representatief geheel vormde. De buren heb ik maar niets gevraagd.

Daarna deed ik hetzelfde met wat vers geplukte bladeren en ook daarmee kreeg ik een afdruk met een aura. Ik ging verder en legde een magneet op het toestel, en jawel hoor : de magneetbanen waren keurig te zien. Toen trok ik echter een conclusie : het is allemaal nep!

Als alle leven een aura heeft en die kan ik zo waarnemen dan is de Kirlian fotografie natuurlijk heel mooi, want die bewijst iets dat we tot dusver niet konden zien. Als echter een per definitie dode magneet, gewoon een blokje ijzer, datzelfde beeld geeft, is de foto geen uitsluitend bewijs van een aura en dus van leven. Het kan immers ook een beeld van iets anders zijn, van magnetisme dat aan dood materiaal vast zit. En toen ben ik met die experimenten meteen gestopt.

Nu , zoveel jaar later, bedenk ik weer dat het een het ander niet uitsluit. Als die fotografie van een magneet  een patroon van magnetische lijnen kan laten zien wil dat nog niet zeggen dat de fotografie van een levend lichaam met ook dergelijke lijnen nietszeggend is. Als er in een lichaam geen duidelijk magneetveld is en er wordt wel een lijnenpatroon getoond, dan kan dat heel wel een aura zijn. 

Bij een magneet is het lijnenpatroon vast en regelmatig. Het voldoet aan wetmatigheden, met noord en zuidpool. Bij een levend wezen is het patroon wisselend. Zover ik gelezen heb is het soms regelmatig en soms juist niet. De kleuren (ik deed mijn experimenten in zwart wit) zijn ook wisselend afhankelijk van de stemming of de omstandigheden in het lichaam. Bij een zieke plek is er ook een duidelijk ander beeld.

Ik denk dat ik me er nog maar eens opnieuw in ga verdiepen. Het is ook wel leuk om met  zoiets bezig te zijn.

Voorlopig neem ik voor waar aan dat er echt een energielichaam is bij alles wat leeft en dat de geest zich daaraan hecht zolang het lichaam leeft in de vorm van een ziel.

Nu terug naar mijn glas-in-lood van Templo del soul. Ik noemde dit zo omdat het lichaam een tempel van de ziel is. Die tempel bestaat uit een fysiek lichaam en een energielichaam.  Ik gebruikte een yin yang achtig patroon om dit weer te geven en tekende daar een verbindende slinger door heen die de ziel en het leven weergeeft.

Er zit een cirkel omheen. Deze begrenst de persoon; we zijn immers nogal begrensd in allerlei opzichten. De cirkel geeft ook aan dat het een eenheid is, deze mens of dit levende wezen. De cirkel is ook symbool van oneindigheid, omdat er geen begin en geen einde te zien is in een cirkel. Deze symboliek  is minder van toepassing gegeven het feit da iedere levend wezen dood gaat. Van de andere kant gaat het leven vrijwel oneindig door, van vader op zoon…

Deze cirkel met daarbinnen het fysieke lichaam en de ziel heeft zijn oorsprong in iets dat ongedeeld of niet onderverdeeld is: god of hoe we dat wensen te noemen. Dat is een rode cirkel, zonder enige onderverdeling, rood als de krachtigste kleur die er is en de afgeleide ervan als ziel in het levende lichaam is ook van die kleur een afgeleide.

Ik zei het: de ziel komt vanuit de oorsprong en is dus eigenlijk gelijk aan de oorsprong. Ik zie dat als volgt: pak een druppeltje water en leg dat onder een microscoop. Neem nu het kleinste te onderscheiden onderdeelte dat je nog kunt waarnemen onder de sterkste microscoop en noem dat mijn ziel. Dat allerkleinste deeltje is onzettend klein in relatie tot de druppel water. Die druppel water is ontzettend klein in een emmer water. Die emmer water is ontzettend klein ten opzichte van een rivier. Die rivier is niets vergeleken met een zee. Een zee is niets vergeleken met alle oceanen. Alle oceanan van miljarden planeten met leven zijn onvergelijkbaar groot van volume vergeleken met alle water op onze aarde.

De universele geest zie ik als alle oceanen van miljarden planeten en ikzelf ben dat onderdeel van dat druppeltje. En alle medemensen zijn ook allemaal zo. We zijn dus helemaal totaal niets vergeleken met de oorsprong en toch zijn we eraan identiek! Die ene druppel is niet anders van aard dat die onvergelijkbaar  oneindig grote oorsprong.

Je ziet: er zit heel wat achter zo’n afbeelding.

Categories: Verhalen | Leave a comment

Martha’s geheime droomdans

(over het paneel Relaxperience)

 Martha liep door de tuin, het was een grote ommuurde tuin, meer een park.

Er liepen wandelpaden door de tuin met dikke forse bomen erboven en in het midden een open lege ruimte. De muren eromheen waren strak en degelijk.

“Houden ze mij buiten of de anderen binnen, of houden ze mij binnen en de anderen buiten?” Dit dacht ze vaak, vroeger, toen ze nog niet zolang in het klooster was. Ze wist toen alles nog niet zo zeker, of ze hier wel moest zijn en of deze tuin en dit klooster voor haar binnen of buiten zou zijn. Binnen of buiten de leefwereld die ze wilde en waar ze zich moest thuis voelen.

Nu was het al weer decennia verder en kwamen de gedachten meer als lieve herinneringen aan vroeger. Aan toen ze nog een jong meid was. Nu liep ze hier heel anders. Nu was ze klein. Ze liep wel niet gebogen en nog met een rechte rug, maar haar nek was, leek het wel, geknakt en haar hoofd hing half naar voren. Misschien is dat wel symbolisch voor mijn leven, dacht ze wel eens als ze zichzelf in een ruit gespiegeld zag. Geknakt en toch met rechte rug…

 De winter was voorbij, maar de lente was nog niet in de lucht. Alle leven was nog verstopt en de eerste tekenen van groen zouden pas over een paar weken naar buiten komen. Het was fris, maar niet echt koud, ze was weer gewend aan een frisse temparatuur door het wandelen buiten in de laatst wintermaanden.

 Het werd tijd om naar binnen te gaan, daar had ze geen klok voor nodig, ze wist wanneer het de tijd was voor de vespers, het avondgebed binnen in de kapel, samen met haar andere 23 medebewoonsters.

 Ze gleed langzaam naar binnen, de trap op en door de deur van de kapel. Ze ging op haar vaste plaatsje zitten en keek naar de gekleurde ramen. Het waren prachtige ramen en in al die tientallen jaren hadden ze haar nog nooit verveeld. Altijd werd ze opnieuw gegrepen door de willekeurige lijnen, kleuren en schitteringen van het licht. Bij iedere andere soort belichting door de zon of de wolken waren de lichtbrekingen in het glas anders en kwam er een ander beeld te voorschijn. Bij het kijken naar die ramen speelde ze ongebreideld met haar fantasie.

 Ze mocht niet langer kijken want de gezangen begonnen en zij moest daaraan meedoen.

In het begin had ze de vespers vreselijk gevonden. De eentonige melodieen waren letterlijk een-tonig. Afgrijselijk was de melodie, die dat woord niet verdiende. De stemmen waren vals en ze begreep niet dat daar niet eens iets aan gedaan werd. Ze ergerde zich daaraan kapot, in de zestiger jaren. Maar nu niet meer. Ze hoorde niet meer hoe vals het was. Ze hoorde het helemaal niet meer, want ze had een truuc ontdenk, ook in die zestiger jaren. Ze hield zich-zelf voor dat ze het ruisen van de branding op het strand hoorde. Ze zong mechanisch mee. Haar eigen zelf deed niet mee. Een automatiek in haar lichaam vervulde de maatschappelijk vereiste functie van knielen, zingen, staan . Maar zelf zelf was ze daar niet bij. Het zingen was als haar spijsvertering, die ging ook buiten haar weten om rustig door. Niemand hoefde te weten wat ze echt beleefde tijdens de vespers.

 Ze beleefde dat ze aan de piano zat. Het was verder in het seizoen, begin mei. Het was in het begin van de avond en het was lekker warm en de tuindeuren stonden open. Ze was nog pas twintig jaar en speelde thuis. Ze keek uit op de grote tuin en speelde voor haar-zelf en de natuur, daar buiten. Voor de bomen en de vogels, voor de bloemen en het gazon. Haar vingers raakten de toetsen zacht Een lichte druk was voldoende. De melodie was in haar hoofd. Iedere volgende klank en beweging was al van tevoren in haar. De emotie van de lijn van de muziek zat in haar hoofd en vlak voordat de vingers de toetsen raakten wist zij wat haar oren zouden gaan horen En heel kort erna hoorde ze het ook, precies zoals het heel even ervoor in haar hoofd al te horen was geweest. Zij hoorde de klanken al van tevoren en in de korte tijd voordat zijn de klanken realiseerde, verbond ze die met haar gevoel.

Als zij een teder gevoel had werd die klank precies zo, en als zij enthousiasme voelde evenzo. Haar gevoelens deinden mee op de melodie. Zij bracht haar gevoel in de klanken en op hun beurt werden haar gevoelens beinvloed door de melodie. In wisselwerking.

 Ze speelde de “geheime droomdans”. Ze hield van de new-age muziek van David Lanz. Ze speelde deze muziek al jaren en haar twijfels, onzekerheid en ook haar levenslust van haar jonge jaren had ze steeds gemengd met deze muziek. Ze was een met de muziek. De techniek van de vingers, de bladmuziek en de toetsen van de piano, dat alles was op de achtergrond geraakt. Ze was niet meer bij die techniek maar zweefde met de muziek mee door de tuindeuren naar het gazon.

 De zon stond al laag en het gras was donkergroen aan het worden. De schaduwen waren al wat langer, er waren wat vogels muziek aan het maken in de hoge bomen en die gingen samen met de pianogeluiden van de “geheime droomdans”.

 De liep naar het midden van het gazon op blote voeten over het zachte koele gras. Ze ging daar staan en strekte zich uit: de lange benen strak naar beneden en haar slanke armen steil omhoog. De palmen tegen elkaar en de vingertoppen priemend in de lucht. Ze keek op naar haar handen. Ze kwam los van de grond en steeg een paar centimeter op en bleef daar zweven. Ze liet haar armen met een grote boog zakken. Als penselen trokken haar vingers een grote cirkel tot ze zich horizontaal uitstrekten. Ze draaide haar armen naar rechts en verder door naar achteren. Haar lichaam volgde die beweging en langzaam draaide ze rond. Ze draaide rond en rond en trok intussen haar linkerbeen omhoog tot haar voet haar kruis raakte. Zo draaide ze verder rond en rond. Daarna strekte ze haar opgetrokken been uit, horizontaal, net als haar linkerarm.

Alles bewoog in het ritme van de pianomuziek. Het gevoel dat zij voelde vlak voordat haar vingers de toetsen raakten en dat zij in de muziek legde, datzelfde gevoel legde ze in de beweging van haar benen en voeten.

 De zelfverzekerde, brutale maar toch ingetogen trots die ook in de muziek lag bracht ze naar buiten met haar strakke lichaam. Ze had alleen een mini-rokje aan en voor de rest was zij gekleed in een glanzende bruine huid en blonde lange loshangende haren.

 Langzaam draaide ze rond tot ze tot stilstand kwam. Ze boog voorover over haar horizontaal gestrekte been en raakte met haar hoofd haar knie. Haar haar hing naar beneden en kwam dichtbij het gras. Ze richte zich weer op en strekte zich helemaal uit en draaide opnieuw. Nu in de andere richting. Ze kwam wat verder omhoog van de grond en zweefde wat hoger dan daarvoor. Ze bewoog haar armen en benen zoals daarvoor, maar nu aan de andere kant en in de andere richting.

 Martha was nog jong en ze zweefde zonder veel gewicht en met soepele bewegingen. Langzaam kwam ze hoger en ze strekte zich horizontaal uit. Ze lag horizontaal en ze liet haar lichaam bewegen en deinen. Het was alsof ze op de warme zee lag. Met de zon laag boven de horizon. Kleine golfjes bewogen op en neer en lieten de zon erin spiegelen. De zonnestralen lieten de golfjes steeds opnieuw als spiegeltjes reageren. Martha lag op het water en talloze lichtspiegelingen kwamen op haar af. De muziek was murmelend geworden en werd ondersteund door geruis van de golfjes die op het strand braken.

Ze strekte zich uit, eerste zijwaards en daarna in de lengte. Daarna liet ze de spanning los en deinde helemaal gewichtloos mee met de zee.

 

 

                                  Relaxperience

 Ze voelde geen gewicht en bewoog zo nu en dan haar benen langzaam op en neer en dan weer zijwaards en terug. Loom vroeg ze zich af wie ze eigenlijk was. Was zij dat lichaam: nee toch.

Ze keek op zichzelf neer zoals ze daar meegolfde en terwijl ze keek verwijderde zich haar lichaam. Het werd steeds kleiner en verderweg, leek het wel. Het werd een steeds kleiner bruin lichaampje in de grote blauwe rimpelende vlakte. Die watervlakte rimpelde in een wirwar. Net zoals het geruis van de golfjes op het strand geen ritme of melodie kenden, alleen maar geruis waren.

 Ze zag wolkjes om haar heen. Wolken verder weg waren bont geleurd. Met prachtige mengelingen van rood, oranje en geel en purper. Geen schilder die dit kan schilderen dacht Martha.

Dichterbij waren er allen maar twee tinten van geel en blauw. Ze dreef en zweefde. Even was ze nog in dat kleine bruine lichaampje en dan zag ze het weer als een klein voorwerp in de verte, alsof het niet meer bij haar hoorde. Of ze nu op het water was of in de wolken: ze voelde zich gelukkig en vredig.

 Ze was er en bleef er en was helemaal gelukkig.

 De vespers was afgelopen en haar mede-zusters schuifelden langzaam en gebogen naar buiten. Een zuster liet haar gewicht op een rollator rusten en kwam langs de plaats van Martha. Ze merkte iets ongewoons, en wist niet meteen wat. Toen besefte ze dat Martha stil bleef zitten, niet opstond zoals altijd, en haar ook niet aankeek, zoals altijd.

 Toen wist ze het. Ze was blij en wist dat Martha nu heel gelukkig was en ze wist dat het niet lang zou duren voordat zij zelf ook zo gelukkig zou zijn. Martha zat nog geknield op haar bank, en was dood.

De zuster dacht niet na over wat ze moest doen. Ze bracht haar vingers van haar rechterhand naar haar mond en maakte ze nat. Daarna ging ze ermee naar het hoofd van Martha en trok een dansende cirkel boven haar neus en tussen de wenkbrauwen van Martha.

Martha zag dit van boven aan en ze ging verder met haar pianospel, met haar “geheime droomdans

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment

Hanker en het dorp in de bergen

(over een kankergezwel)

Ik was al dagen aan het lopen en naderde het hoogste punt van de bergpas. Er lagen resten van sneeuw wat hoger op de berghellingen, maar de zon scheen krachtig en ik ging in een veld met gras en bloemen langs de weg liggen.  Vogels floten rondom en verder was het doodstil. Ik werd loom en dacht aan de vorige keer dat ik hier was geweest, jaren geleden.


Toen scheen de zon ook heerlijk en ik liep In T-shirt en een korte broek vanaf de bergpas langs de hellingen naar beneden. In de diepte zag ik de rode pannen van de huizen en de witte gevels. Hier aan de zuidflank van de Pyreneën was het behaaglijk en het dorpje in het dal daaronder lag er heel vredig bij. Er slingerde een kleine rivier vanuit de hoge bergen naar beneden en door het dorpje. Daar was een watermolen en voor die watermolen was een klein meertje. Er waren mensen langs dat water aan het vissen. Langs die rivier was er ook een weg die kronkelend de verre diepte in ging. Er waren enkele wagens met paarden ervoor die van en naar het dorp gingen. Bij een bakkerij kronkelde rook van een houtvuur. Plotseling klonken er klokken die echo-den tegen de hellingen. Elf keer klonk een heldere klok en toen klonk weer alleen het fluiten van de vogels. Het zag er vredig, rustig en welvarend uit.

Ik ging verder en kwam midden in het dorp bij een hotelletje. Er was een terrasje voor dat hotel waar wat oudere mensen zaten te kaarten. Andere mensen waren jeu de boule aan het spelen. Er liepen wat vrouwen van en naar een winkel en ze bleven staan om samen te praten. Ik werd heel vriendelijk ontvangen in het hotel. Ik werd naar mijn kamer gebracht en nadat ik mijn weinige spullen daar had neergelegd en me had gedouched keek ik vanuit mijn hotelkamerraam, omlijst door geraniums, het stille dorp in.

Teruggekomen bij de receptie vroeg de eigenaar of ik wilde eten. Hij stelde zich voor als Pierre en toverde een heerlijke lunch  met lekkere wijn op tafel en ik genoot daarvan op het terras. Pierre  vroeg of hij erbij mocht komen zitten en vertelde gaandeweg honderd uit over het dorp.

Daar moest ik weer aan denken toen ik daar op die kleine wei met bloemen lag. Ik zag dat het elf uur was en wachtte op de het geluid van de klokken. Ik dacht: “Misschien staat mijn horloge verkeerd”. Tien minuten later was er nog niets te horen. Bevreemd stond ik op en ging verder.

Het zag er nog bijna hetzelfde uit als jaren geleden , daar in de diepte. Ik schrok echter wel van wat ik zag : midden in het dorp waren enkele gebouwen afgebrand. Er was daar een zwarte plek. Ik zag de weg lang de rivier lopen en er was geen verkeer te zien, behalve een Porsche die met jankend geluid door de bochten scheurde.

Ik kwam in het dorp en op de een of andere manier  was er een beklemmende sfeer.  Ik liep verder en sommige mensen groetten me hartelijk, maar anderen liepen me steil voorbij. Een persoon herkende ik en ik hield hem staande en zei: “Dag meneer de Lange, leuk U weer eens te zien. Weet je nog dat ooit gezellig Jeu de Boule hebben gespeeld?” Hij keek me aan zonder een blik van herkenning en antwoordde voor de vorm: ”Sorry maar U zult zich iemand anders bedoelen ”, en liep door.

Ik kwam bij het hotel. Dat was al lang niet meer zo welvarend. Het moest nodig geschilderd worden. De stoelen en tafels op het terras waren met staaldraad en sloten aan de gevel vastgemaakt. Ik kwam bij de balie en de hoteleigenaar Pierre verwelkomde me allerhartelijkst.  “Wat ben ik blij verrast dat U hier weer komt”, zei hij. Ik bestelde een kamer en een lunch. “Mag ik bij u komen zitten”, vroeg hij toen ik buiten in op het terras wilde gaan eten. “Natuurlijk, graag” zei ik.

Hij vertelde hoe er van alles in het dorp veranderd was. Vroeger was er een slager, een bakker, een melkboer, een kerk met pastoor, een smid, winkeltjes voor huisraad en voor doe het zelf dingen. Het meeste daarvan was verdwenen, zei hij. Ik vroeg hoe de mensen dan aan hun benodigdheden kwamen. Ze gaan een keer per week naar de stad en kopen alles voor de komende week, of ze bestellen dingen via internet. De sfeer is verziekt. “Maar de stad is toch wel erg ver om er wekelijks heen te gaan”, zei ik. Hij zei dat dat helemaal waar was maar dat de winkels moesten sluiten, omdat er een groep mensen terreur uitoefenden. Hij deed zijn jasje open en wees op zijn revolver. “Zonder dit wapen was ik met mijn hotel ook allang gesloten.”  “Maar dat kan toch niet”, zei ik, “wat doet de politie daaraan?”  Hij zei: “Enkele agenten eisen beschermingsgeld van de mensen en als die niet betalen dan worden ze de dag daarop bestolen door dieven. Of hun auto staat de dag erop bekrast of met lekke banden langs de weg.

Het is echt niet meer leuk. Alle vrienden van vroeger kijk je eerst nog eens goed in de ogen voordat je ze in vertrouwen neemt. Laatst is opeens de klok uit de kerktoren gestolen. Niet te geloven dat dat kan zonder dat we dat merkten. Er moeten een paar mensen in het complot gezeten hebben anders was dat onmogelijk geweest.”

Pierre vertelde verder, en werd steeds somberder. Het was enkele jaren geleden begonnen. Een van de paar  mannen in het dorp die werkloos waren was berucht vanwege vermeende misdaden, hij heette Hanker,  maar hij werd nooit betrapt. Hij had ook enkele vrienden die klusjes voor hem opknapten. De baas van het café op het dorpsplein weigerde beschermingsgeld te betalen. Zijn dochter werd ’s avonds een keer opgewacht door mensen die zich onherkenbaar hadden gemaakt. Ze werd in een auto meegenomen en buiten het dorp door drie mannen verkracht. De café baas zei toen tegen Hanker dat hij en zijn vriendjes niet meer welkom waren in het café. Ze dronken er wel maar betaalden nooit. Ze deden alsof het café van hun was en stalen de kas leeg onder het oog van de café baas.  Hanker schonk zichzelf dan in en lachte de café baas in zijn gezicht uit. Een dag nadat hij gezegd had dat ze er niet meer inkwamen werd de café baas vermist. De politie ging zoeken, nadat hij een paar dagen vermist was, en vond hem stroomafwaarts in de rivier, hangend aan overstekende takken. De politie vond een bewijs dat Hanker de moordenaar was, er zat DNA-spoor op het gezicht van de vermoordde man. Een maand later kwam Hanker voor de rechter in de stad , beschuldigd van moord.  In de beschuldiging stond echter een vormfout. Er stond de datum die niet die van de moord was maar van het vinden van het lijk. Op basis van die vormfout ging Hanker vrijuit. Bij zijn vrijlating kreeg hij een royale vergoeding omdat hij ten onrechte een maand had vastgezeten.

Hanker maakte het daarna nog bonter. Hij ging de politie beschuldigen van een hetze tegen hem. Hij beschuldigde ook de familie van de café baas omdat die hem in het dorp als de moordenaar had aangewezen. Die twee procedures won hij en hij ontving een fors smartegeld. De sfeer in het dorp werd stevig verziekt door deze gebeurtenissen. Hanker en zijn groepje was intussen uitgegroeid tot twaalf mannen. Die hadden allemaal een overdreven ego en ze gunden niemand het licht in de ogen. Ze brachten een ware terreur teweeg in het dorp zodat niemand meer vrolijk kon zijn en geërgerd en ongelukkig rondliep. De Gemeente moest vele vernielingen herstellen die die twaalf mannen aanrichtten. Zelfs de enige brug over de rivier, die het dorp met de verre stad verbond, werd door hen opgeblazen. Het Gemeentebestuur moest erg veel onkosten maken en daarom moesten de belastingen omhoog. Er  werd op de school bezuinigd en de bibliotheek en het zwembad moesten worden gesloten.

Toen tenslotte die brug werd opgeblazen was de maat vol. Het sfeer in het dorp was geheel verziekt. De overheidsinstanties lieten het afweten omdat Hanker en zijn mannen zo gewiekst waren en het dorp zo in de tang hadden dat er ook  niemand durfde te getuigen of een aangifte durfde te doen. De burgemeester riep ten einde raad de hulp van de Zwarte Engelen in. Dat was een groep uit de stad die tegen vorstelijke betaling een apparaat voor contra-misdaad was. Die hanteerden misdadige praktijken om de misdaad uit te roeien. Vergif tegen vergif zogezegd. De leider van die groep heette Gemo. Gemo wist wel hoe hij het aan zou pakken. Hij begon met de huizen van de groep van Hanker, die intussen was gegroeid tot vierendertig mannen. Hij spoot een vreselijk stinkende lucht door de brievenbussen. De mannen kwamen brullend van woede naar buiten. De buren van die huizen hadden ook flink te lijden van de stankoverlast. Het was een goede poging maar het hielp niet. De groep van Hanker werd nog veel brutaler omdat ze nu uitgedaagd werden. Ze namen een paar Zwarte Engelen te grazen. Ze hakten de hoofden af en zetten die op spiezen. Het hele dorp gruwelde en sidderde. Niemand durfde nog over straat te gaan, alleen als het echt persé moest.

Gemo besefte na enige tijd ook dat dit niet werkte. Hij vreesde dat een te zachte aanpak tot een escalatie zou leiden en in overleg met de burgemeester Eso werd besloten een radicale aktie, tot moord. Eso had hier vreselijk veel moeite mee. Hij wist nog hoe vredig en knus het dorp was geweest en nu moest hij instemmen met het ergste dat denkbaar was: moord op zijn eigen dorpsgenoten. Toch zat er niets anders op. De overheid faalde, de politie was uitgeschakeld, justitie werd in de tang genomen,etcetera. Alle nuttige functies in de dorpsgemeenschap werden verzwakt.

Hij vroeg zich af wat de oorzaak van dat alles was geweest en kwam tot de conclusie dat alles was begonnen met het ongeluk van Hanker. Hanker was altijd een joviale , behulpzame en gezellige dorpsgenoot geweest totdat hij een keer van de hooiwagen was gevallen. Hij zat boven op het hooi, en de tractor werd gereden door zijn zoon.  Hij zwaaide naar de buurman en praatte met hem. Toen de zoon de tractor de schuur inreed merkte Hanker dat te laat en viel pardoes drie meter naar beneden.  Het was een ongelukkige val want hij viel met zijn achterhoofd op een ijzeren punt.  Hij kreeg hersenvliesontsteking . De dokter gaf hem antibiotica en Hanker lag bijna een week doodziek op bed. Daarna knapte hij op maar er was iets structureels in hem veranderd. Iets in zijn hersenen was beschadigd. Hij werd een grote egoïst. Hij aasde op andermans eigendommen. Hij zat nergens meer mee en chanteerde mensen. Naarmate hem dat beter gelukte werd hij steeds brutaler. Hij werd daardoor rijk en trakteerde met gulle hand in de kroeg. Daardoor kreeg hij vrienden die door hem aangestoken werden in dat slechte gedrag.

Eso besefte dit heel duidelijk toen hij alles op een rijtje zette. Maar hij meende toch dat alleen een rigoreuze daad een einde aan de ellende kon maken, nu alle methoden gefaald hadden. Hij gaf toestemming om Hanker en zijn groep uit te roeien.

Dat heeft hij geweten. De zwarte engelen begonnen met Hanker en doodden hem in een seconde. Ook de volgende bendeleden werden met weinig moeite opgeruimd. Ze waren echter niet effectief genoeg en tien leden van de bende werden op tijd gewaarschuwd. Ze vluchtten. Een paar verstopten zich in de bossen en anderen verstopten zich in schuurtjes in het dorp. Deze tien Hanker-leden overleefden het.

Eso en de Zwarte Engelen maakten 24 doden en die werden in een grote plechtigheid begraven. De pastoor hield een afscheidsrede waarin hij het niet kon laten om zijn afschuw over de bende te uiten en waarin hij de dood van die vierentwintig als een trieste maar toch welkome gebeurtenis schetste.

Het dorp herleefde. De zwarte Engelen vertrokken, met een welgevulde beurs en de dorpseconomie herstelde zich langzaam. De tien overlevenden hielden zich schuil en gedeisd. Ze bleven enkele jaren stil. Ze wisten dat er een enorme weerstand tegen hun gedrag was. Intussen werd hun zelfvertrouwen toch gaandeweg weer hersteld. Ze zorgden dat ze minder opvielen en namen weer deel aan het dorpsgebeuren. Ze waren  nu gehaaider en door hun onverminderde egoïsme begonnen zij op een veel minder herkenbare manier hun zakken te vullen en te parasiteren op de gemeenschap. De een drukte vals geld en een ander ging in de gemeenteraad zitten en liet regelingen in het voordeel van de tien aannemen. Zo werd bijvoorbeeld een bos dat al eeuwen een belangrijke functie had voor het dorp verkocht aan een van hen, die het vervolgens liet omhakken, het hout verkocht en op de grond een bungalowpark liet aanleggen. Dat betaalde hij van het geld dat hij  aan de gemeenschap had ontfutseld.

Gaandeweg en na enkele jaren werden ze toch weer brutaler, ze droegen altijd donkerblauwe pakken met koperen knopen. Een van hen liet zich Hanker noemen, hij kon het niet laten om zich trots te tooien met de naam van hun vermoordde leider. En die Hanker heeft onlangs de kerkklok gestolen, heeft die in de stad laten omsmelten en het metaal verkocht.

Ik was wel helemaal perplex van het verhaal. Het was al laat geworden  en we zeiden mekaar welterusten.

Ik ging naar bed en lag lang wakker en vroeg me af hoe het toch mogelijk was dat zo’n vredig dorp in zo’n ellende terecht had kunnen komen.

’s Morgens bij het ontbijt kwam Pierre weer bij mij zitten. Hij vroeg of ik daar geen probleem mee had en dat er toch verder geen gasten waren. Hij wilde duidelijk zijn hart luchten.

Hij begon te vertellen over Marja.  Marja was een leuke jonge vrouw die alleen woonde in een huisje vlak bij de watermolen. Haar tuintje lag aan de oever van het meer en ’s morgens vroeg was het haar eerste behoefte om in het water te duiken. Het dorp was eraan gewend geraakt dat ze ’s morgens bij de eerste zonnestralen in bikini door haar tuintje liep en met een mooie duik in het water plonsde. Ze zwom dan altijd heen en neer naar de overkant en kwam dan aan haar eigen kant weer omhoog. In de winter als er ijs lag kon ze die duik niet maken. Dan kwam ze naar buiten met een grote bijl. Eigenlijk wel een apart gezicht: een vrouw in bikini met een grote bijl. Ze hakte een gat in het ijs en gleed er dan in. De vissen kwamen naar dat wak gezwommen, aangetrokken door het licht dat daar niet door het ijs werd gehinderd. Marja was dan vlug en pakje er zomaar met haar handen een vette vis vast. Die nam ze mee. Ze hulde zich in een badjas en bracht die vis naar haar buren. Die waren dolblij met die vette vis. Marja zelf lustte geen vis.

Hanker had dit ook enkele keren gezien en vond dit maar niks. Zij was gelukkig en gezond. Zij was zo’n beetje het hart van het dorp en iedereen dweepte met haar. Zij hield van de mensen en de mensen van haar. Hij was daar jaloers op. Hij liet een vriend van hem in de gemeenteraad een wet voorstellen die het strafbaar zou maken om in badkleding te worden gezien vanaf de openbare weg, zoals Marja bij het meer. Die nieuwe regeling werd net niet aangenomen.

Daar baalde hij van en hij had een steeds grotere hekel aan haar. Hij kwam haar een keer op straat tegen en zei: “geef me jouw geld”. “Zoals je wilt”, zei ze, “als je wat nodig hebt zeg je het maar, ik zou niet willen dat je gebrek lijdt”. Hij voelde dat als een sneer. Dat was niet zo bedoeld door Marja, maar Hanker vatte dat wel zo op. Hij dacht dat zij wel wist dat hij bulkte van het geld, heimelijk op een rekening bij de bank.

Op aanvallen reageerde zij altijd op een voor hem onbegrijpelijke manier. Op een avond drukte hij bij haar op de deurbel. “De deur is open”, riep Marja. Haar deur was nooit op slot. Hij kwam naar binnen en zei:”geef me een glas wijn en kleed je uit”. Zij gaf hem wijn en kwam naakt bij hem zitten. Hij had op weerstand gerekend en dit beviel hem niets. “Als je maar niet denkt dat ik je als een hoer betaal” mopperde hij. “Hoe bedoel je dat?” vroeg ze en hij zei niets en keek nors naar haar mooie figuur.

Toen hij zijn glas leeg had verkrachtte hij haar. Zij bood geen weerstand  en hij kwam daardoor niet klaar. Zij zei droog:”dat werkt zo niet, he?”

Hij trok zijn broek omhoog en vloekte. “Kun jij nog niet eens wat alle vrouwen kunnen?” “Natuurlijk wel”, zei ze, “maar de fout zit bij jou”. “Wat een onzin, bij alle andere vrouwen gaat het geweldig, maar bij jou niet. Het ligt aan jou”. “Probeer het eens met liefde, kankerpit die je bent ”, zei Marja. Hij vloekte nog een keer en beende kwaad naar buiten.  

Hij kwam terug en zei bij de deur: ”Jij zei ‘kankerpit’ hè?  Heb jij die jongens soms opgestookt? ” “Hoe bedoel je?” “Die rottige buurjongetjes van jouw roepen op straat, als ze buiten mijn bereik zijn, ‘Kanker Hanker” , en de andere jongetjes hebben dat overgenomen.” “Sorry hoor”, zei Marja, ”Op die manier kinderen opstoken, nee dat zou ik nooit doen”.

“Ik ken trouwens een mooi verhaal”, zei Marja. “Laat horen”, zei hij.

Zij vertelde:

“Er kwam een man aan de deur van zijn geliefde en klopte. Zij vroeg”Wie is daar?” – “Ik ben het”, antwoordde hij. Toen zei ze:”Er is hier niet genoeg plaats voor jou en mij”. En ze opende de deur niet. Na een jaar van eenzaamheid kwam de man weer en klopte. Ze zei:”Wie is daar?”  “Jij bent het”, zei de man. En ze deed de deur voor hem open”.

“Wat een soft lulverhaal”, zei hanker, “en het slaat nergens op”

“Jawel  hoor”, zei ze, “het slaat op iemand met een veel te groot ego, die pas toegelaten wordt als hij daar iets aan doet en daar korte metten mee maakt”.

“Kletswijf”, zei hanker, en hij beende voor de tweede keer weg, maar vloekte niet. 

Pierre beëindigde zo zijn verhaal en ging aan het werk voor de lunch. Na die lunch vertrok ik weer  uit het dorp.

De tijd ging verder en  een jaar later was de winter weer voorbij, de lente was in volle gang en in mei van dat jaar kwam ik weer opnieuw aan op dat hoge punt in de bergpas waar het dorpje voor het eerst weer te zien was.

Opnieuw was het een mooie stralende dag. Ik keek met mijn verrekijker naar beneden en zag het dorp. De zwarte plekken waar brand was geweest waren ingevuld met rode daken en witte muren van nieuwe huisjes. De watermolen draaide en vogels vlogen boven het meer op zoek naar vis. Ik zag zelfs een heel klein bruin figuurtje in het meer zwemmen en daarna uit het water komen. Ze rekte zich uit, bruin en gezond. Ik zag dat de brug over de rivier een nieuwe kleur verf had gekregen en een paar auto’s reden over de weg langs de kleine rivier.

Het zag er vredig uit en ik strekte me uit in de wei met bloemen, precies op dezelfde plaats waar ik een jaar geleden ook in de zon had gelegen. Ik keek op mijn horloge en zag dat het elf uur was. Toevallig meteen daarna klonk er uit de kerktoren het geluid van een klok die elf keer sloeg. Dat verraste me, ik werd daar vrolijk van en wandelde naar beneden. Ik kwam bij het hotel aan en Pierre stond bij de voordeur en heette me welkom. “Fijn dat je weer in ons dorp komt, je zult het nu wel fijner vinden dan vorig jaar.”

Er waren meer gasten maar hij liet de zorg daarvoor aan anderen over en kwam met een heerlijke lunch voor mij en hemzelf aan mijn tafel zitten. “Vertel eens”, zei ik, “er is veel veranderd in het dorp, merk ik”. Ik vertelde hem wat mij opgevallen was en hoe ik de veranderde sfeer voelde. Er waren geluiden van een smid die hamerde, een metselaar die een steen brak, kinderen die zongen en het gerammel van een paard met wagen.

“Marja heeft ons dorp gered”, zei hij, ”ze is een gouden meid”.

Hij vertelde. De groep rond Hanker was alweer uitgebreid tot vijfentwintig mannen tegen de tijd dat Hanker  Marja in haar huis haar had verkracht. Kort daarna was een van zijn mannen heel erg ziek geworden. Hij rilde van de koorts, was veel afgevallen en lustte geen eten. Hij was doodmoe en lag maar op bed. De dokter kon er niets mee, die wist geen middel om de man gezond te maken. Marja had de naam dat zij met haar handen kon genezen. Hanker kwam naar haar toe en beval haar mee te gaan en zijn vriend te genezen. Zij ging mee en vroeg of ze haar met die man alleen wilden laten.

Zij hield haar hand op zijn buik en ging erover heen tot zij de plek voelde. “Kanker”, dacht ze in zichzelf.  Ze voelde een branderig gevoel in haar hand en stuurde er haar energie naar toe. Intussen vroeg ze aan de man , hij heet Janus, wat hij zoal voelde. “Ik voel eigenlijk vooral schaamte”, zei janus. Hij vertelde dat hij nu tijdens zijn ziekte was gaan nadenken over zijn gedrag en misdaden. “Ik voel me alsof ik twee mensen ben, de ene keer als een kind dat zich schaamt en de andere keer vol met wrok tegenover mensen die gelukkiger zijn, die vrolijk zijn en die genieten.” Marja gaf hem liefde. Zij gaf hem de warmte van haar gevoel via haar handen . Hoe zij dat kon begrijp ik niet maar zij was in staat om zijn wrok en haat tegenover de mensen om te zetten in begrip, medelijden met de zieken en liefde voor de natuur, de mensen en alles om hem heen. De man was zomaar ineens genezen. “Ik schaam me zo, hoe kan ik dit ooit goedmaken?” zei hij.

“Heel gemakkelijk”, zei Marja,” het enige wat je moet doen is hetzelfde wat ik doe : geef liefde, veroordeel niet, spreek niet van schande, schuld en straf.  Als iemand je tekort wil doen, accepteer dat dan en geef hem wat hij wil. Als je tegen iets in gaat wordt het net zoveel sterker en vervelender als de kracht waarmee je weerstand biedt. Als je geen weerstand biedt maar begrijpt met liefde lossen alle problemen op”.  Ze bleven vijf uur lang praten en daarna stond Janus op, rekte zich uit en zei dat hij nu eens lekker ging zwemmen in het meer en daarna een stevige maaltijd ging nuttigen.

Hanker zag dit en was perplex en verrukt en was Marja dankbaar. Hij vergat zijn botte en norse karakter even en ging naar Marja toe en vroeg hoe hij haar kon danken. Marja zei dat ze graag zou zien dat de klok terug in de toren hing. De dag erna hing de klok er weer.

Die klok werd een week later langdurig geluid: een van de mannen van Hanker was gestorven. Hij had dezelfde ziekte als Janus maar de ziekte was bij hem al in een veel verder stadium dan bij Janus.

Daarna werd Marja nog twee keer bij een erg zieke man van Hanker geroepen. Daar verliep alles hetzelfde als bij Janus. Hanker vroeg of hij er een keer mocht blijven en Marja vond dat goed. Hanker was namelijk al een stuk milder en minder bot sinds de gebeurtenissen rond Janus en na de laatste genezing was hij helemaal om. Hij geloofde in Marja, haar werkwijze en overtuiging. Hij voerde meerdere lange gesprekken met haar en kwam tot een hele ommekeer. Hij besefte dat hij verkeerd bezig was geweest en dat zijn handelwijze het hele dorp kapot zou hebben gemaakt. En dat hij en zijn groep dan ook geen dorp meer zouden hebben om op te parasiteren. Dit was niet de reden van zijn ommekeer, maar vooral het besef dat een leven op die manier zinloos, uitzichtloos en slecht is en geen echt geluk kent.

Hij veranderde de groep.  Hij legde uit dat iedereen die nog aan terreur wilde doen dat dan maar op eigen houtje moest doen maar dat hij ermee klaar was. Drie mannen vonden hem een watje en gingen op eigen houtje door met afpersen. Dank zij de hulp van Hanker was de politie daar gauw mee klaar en werden die drie opgepakt en veroordeeld tot taakstraffen.

“De rest van het verhaal laat zich raden”, zei Pierre. We dronken nog een glas en keken naar de ondergaande zon.

De volgende dag vertrok ik weer en stopte boven op de bergpas en ging zitten op de wei en keek naar beneden. Ik bedacht dat de kanker in een mens veel weg heeft van wat er in het dorp was gebeurd. Zowel de oorzaak als de preventie en de remedie.

Categories: Blog-berichten, Verhalen | Leave a comment